TNTL 118/1
Fabian R.W. Stolk
Paralipomena : tekstgenetische studies. E. Vanhoutte en D. van Hulle (red.), Antwerpen : Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, 2001. - 189 p. : ill. ; 24 cm. - (AMVC-publicaties ; 3)
ISBN 90-76785-04-X. Prijs: € 11,16
Naast een voorwoord door L. van Dijck en een inleiding door D. van Hulle, bevat deze bundel de tekst van acht voordrachten gehouden op de jaarlijkse studiedag over het literaire bronnenmateriaal van het AMVC. De eerste, die van K. Peeters, is een grotendeels fictioneel en leuk bedoeld verhaal; een paralipomenon ten opzichte van de bundel. Dat laatste geldt ook voor de ‘Apologie voor de kladcultuur’ van H. Polis. Resten zes werkelijke tekstgenetische studies waarin wordt gedemonstreerd dat een beter begrip van een afzonderlijk werk of van (de ontwikkeling van) een oeuvre kan worden verkregen door de bestudering van paralipomena, zijnde, in Van Hulle’s woorden: ‘alle materiaal van de hand van de auteur dat striktgenomen niet tot de versie van een werk behoort’.
H.T.M. van Vliet vertelt over knipsels, foto’s, schetsen en tekstfragmenten van J.H. Leopold, waaronder dichterlijke schrijfinstructies als: ‘niet te veel gelul’; diens literaire nalatenschap is een chaotische hoeveelheid materiaal, waarvan de eigen ordening, erin gelegd door de dichter, door een geduldig onderzoeker gereconstrueerd kan gaan worden, aldus Van Vliet, die ook de nodige aanzetten geeft. Biograaf J. Vanhecke schrijft over de nauwe relatie tussen feit (leven) en fictie (werk) bij Johan Daisne, die zich duidelijk aftekent via (auto)biografisch tekst- en prentmateriaal. Een pikant detail uit leven en manuscripten van musicus Peter Benoit belicht J. Dewilde door in twee persoonlijke opdrachten van manuscripten een naam te ontcijferen waar een andere naam overheen was geschreven; hij legt helaas niet uit hoe dat in zijn werk is gegaan en de illustraties blijven hier in illustrerende kracht onder de maat. Y. T’Sjoen verkent de relatie tussen tekeningen en tekstfragmenten uit Minne’s brieven enerzijds en diens ‘briefgedichten’ anderzijds, en schetst en passant de gehele publikatiegeschiedenis van een bundel. E. Vanhoutte bespreekt paralipomena en versies van Streuvels’ De teleurgang van den Waterhoek. V. Neyt tenslotte verkent het ontstaan van Ten oorlog van Perceval en Lanoye en belicht daarmee de verandering in Lanoye’s proza sinds het begin van de Monster-cyclus.
Paralipomena zijn editietechnisch ‘lastige gevallen’; ze zijn daarom ‘uitstekend geschikt om het verschil te bepalen tussen teksteditie en tekstgenetisch onderzoek of de studie van wat er aan de publicatie van een tekst voorafgaat’. Mogelijk kunnen, aldus Van Hulle, paralipomena zelfs ‘niet enkel de teksteditie, maar de hokjesgeest van de wetenschap in het algemeen, om niet te zeggen het hele project van het humanisme in vraag [...] stellen’. Men moet in deze bundel nochtans geen theoretische verkenningen zoeken van paralipomena als provocatie van de editiewetenschap, ook al suggereert de inleiding die mogelijkheid. Alleen T’Sjoen en Vanhoutte gaan in op de problematische status van paralipomena; ze bespreken de divergentie in de begripsomschrijving (Scheibe, Dorleijn en Mathijsen), de afbakening ten opzichte van de tekstversies, en classificatiemogelijkheden. Hun problematisering is echter enigszins academisch, zoals uit hun eigen bijdragen en uit die van anderen blijkt: de meesten maken namelijk haast onbekommerd, maar gretig en enthousiast gebruik van de schetsjes, flarden en foto’s om er meer en ander licht mee te werpen op hun geliefde tekst of auteur. Het belang van (dit soort) paralipomena voor tekstgenetisch onderzoek wordt niet betwijfeld; terecht lijkt me, want niemand rekent, kennelijk, de sigaar van Kloos of de fez van Perk tot dit bijzondere genre van tekstgenetische (bij)verschijnselen.
| MNL Homepage | TNTL |