logo CTB Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (KANTL)
Koningstraat 18
b-9000 Gent
Belgium
email: ctb@kantl.be
tel: +32 (0)9 265 93 50
fax: +32 (0)9 265 93 49

De medewerkers van het CTB rapporteren over de vooruitgang van hun wetenschappelijke projecten in nationale en internationale tijdschriften en zijn frequente sprekers op (inter)nationale colloquia.

[Volledige publicatielijst CTB] [On-line publicaties] [Tekstedities en Uitgaven]

Julien Vermeulen. Laat mij maar doen. Vlaams proza tussen tekstgenese en discursieve identiteit.

Garant, Antwerpen / Apeldoorn, 2007, 250 blz. ISBN 978-90-441-1994-7

Bert Van Raemdonck

bert.vanraemdonck@kantl.be

‘Natuurlijk functioneert de literatuur als een seismograaf’. Met deze zin opent Julien Vermeulen zijn studie over Vlaams proza tussen tekstgenese en discursieve identiteit, en ook in het vervolg van het boek houdt Vermeulen eenzelfde toon van vanzelfsprekendheid aan. Helaas is niet alles wat in deze publicatie beweerd wordt even evident als de auteur lijkt te veronderstellen.

Alleen al door de gehanteerde methodologie is het boek enigszins controversieel. Vermeulen combineert twee totaal verschillende invalshoeken om zijn licht te werpen op het Vlaamse proza, waarvan in dit boek overigens de schijn wordt gewekt dat het sedert 1968 geen noemenswaardige publicatie heeft voortgebracht. Enerzijds valt hij terug op de studie van de tekstgenese en gebruikt hij een discours dat door de editiewetenschap werd ontwikkeld. Anderzijds bestudeert hij wat voor retoriek er wordt gebruikt om sommige literaire werken bijvoorbeeld als ‘typisch Vlaams’ te bestempelen. Dat soort onderzoek wordt in een aantal compleet andere disciplines gevoerd, zoals de (cultuur)sociologie. Multi- of interdisciplinariteit levert vaak verrassende inzichten op, maar hier zorgt het vooral voor onduidelijkheid en verwarring.

Vermeulen hoopt dat zijn ruime blik nieuwe inzichten kan opleveren over auteurs als Felix Timmermans, Stijn Streuvels, Maurice Gilliams en Gerard Walschap. Zelden leidt het hem echter verder dan schimmige bespiegelingen, die vaak van Jungiaanse inslag zijn. In zijn nogal warrige en zelfs wollige inleiding wijst hij op het gevaar om uit bekende romans ‘nieuwe versmallende schema’s te extrapoleren’ die dan als ‘eenvoudige slogans’ worden geformuleerd. Hij benadrukt het belang om literatuuronderzoek te situeren ‘in de complexiteit van het culturele landschap’, maar zondigt in enkele hoofdstukken precies tegen dat credo. Over De jazzspeler van Maurice Roelants beweert Vermeulen bijvoorbeeld dat er ‘al zoveel positiefs’ is geschreven dat hij zich ‘tot een negatief, zelfs pijnlijk, facet van dit stukje proza’ wil beperken, waarna hij de misprijzende retoriek hekelt waarmee Roelants het zwarte titelpersonage heeft getypeerd. Maar die afwijzing is natuurlijk onnoemelijk sterk gekleurd door de bijna acht decennia die tussen de publicatie van De jazzspeler (1928) en Vermeulens eigen studie verwijderd liggen.

Laat mij maar doen is een boek waarin nogal wat weetjes over Vlaamse literatuur te vinden zijn. Het is jammer dat die feiten ondergesneeuwd zijn door de ondoorzichtige en bijgevolg onbetrouwbare methodologie waarop ze gebaseerd zijn. Ook stilistisch en structureel doet deze publicatie de lezer geregeld fronsen, en een betere (eind–)redactie had dit boek dan ook veel deugd kunnen doen.



© 2006 Bert Van Raemdonck & CTB

Deze tekst verscheen in: De Leeswolf, jrg. 13, nr. 5 (juni 2007), p. 384 – 385.


XHTML auteur: Bert Van Raemdonck
Last revision: 26/03/2007


Valid XHTML 1.0!