logo CTB Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (KANTL)
Koningstraat 18
b-9000 Gent
Belgium
email: ctb@kantl.be
tel: +32 (0)9 265 93 50
fax: +32 (0)9 265 93 49

De medewerkers van het CTB rapporteren over de vooruitgang van hun wetenschappelijke projecten in nationale en internationale tijdschriften en zijn frequente sprekers op (inter)nationale colloquia.

[Volledige publicatielijst CTB] [On-line publicaties] [Tekstedities en Uitgaven]

Lucas Hüsgen, Plooierijen van geschik.

Querido, Amsterdam, 2007, 673 blz. ISBN 978 90 214 3360 8

Bert Van Raemdonck

bert.vanraemdonck@kantl.be

Een recensie over een roman hoort te verschijnen na- en niet voordat de roman gepubliceerd is. Meestal gebeurt het ook zo, al wil de wedloop om primeurs — die zich al een poosje niet alleen meer op de voorpagina’s maar ook in de boekenbijlagen van de kranten afspeelt — er wel eens voor zorgen dat de recensie de roman een weekje voorafgaat. In het geval van Lucas Hüsgens vuistdikke roman Plooierijen van geschik kunnen we echter van een unicum in de Nederlandstalige literatuurkritiek spreken: liefst zeven jaar voordat het boek gepubliceerd werd, had literatuurcriticus Bert Bultinck er in De Morgen al een (lovende) bespreking aan gewijd.

Yin en Yang

Doordat ze beiden tot de getrouwen van het literaire tijdschrift Yang horen, had Bultinck in 2000 het manuscript van Hüsgens magnum opus al gelezen, en toen hij hoorde dat Hüsgens uitgever Querido de publicatie van het boek voor onbepaalde tijd had uitgesteld (lees: liever niet wilde realiseren), schreef Bultinck in zijn krant een passionele liefdesverklaring aan het boek en de auteur, in de hoop daarmee de publicatie alsnog te bewerkstelligen. Bultinck noch Hüsgen zal er nog op gehoopt hebben, maar op de valreep van 2007 publiceert Querido het boek dan toch. De hamvraag is natuurlijk hoe blij we daarmee moeten zijn. Zoals dat met hamvragen wel vaker het geval is, blijkt er ook nu geen eenduidig antwoord op te bestaan.

Wat maakt Plooierijen van geschik zo bijzonder dat het op voorhand al voor zoveel ophef heeft kunnen zorgen? Een paar dingen, en één ervan luidt zonder twijfel: je begrijpt er geen snars van. Hüsgen is er inderdaad in geslaagd om een turf van 671 bladzijden te schrijven waarvan je nauwelijks kunt navertellen waarover het in godsnaam gaat. Wie daar toch een poging toe wil wagen, moet zich behelpen met de titel en de gehanteerde vertelstructuur.

‘Plooierijen’ is de naam die werd gegeven aan het oproer dat zich in Gelre van 1702 tot 1708 heeft afgespeeld tussen regenten en patriotten. Die machtsstrijd lijkt het vertrekpunt voor de roman, maar net zo goed gaat het in dit boek over Koreaanse meisjes, ganzen, de Berlijnse geschiedenis, een mysterieuze historie in de dampende Ierse natuur, een gesprek tussen Hüsgen zelf en De Oervorm van de Hond, enzovoort. Al die verhalen (die in feite niets meer zijn dan losse flarden zonder begin of einde) worden door Hüsgen in de structuur van de I Tjing gegoten, het zogenaamde ‘Boek der veranderingen’ uit het oude China, dat bij ons vooral in esoterische kringen enige bekendheid geniet. Het boek is een van de basiswerken van het Confucianisme en bestaat uit 64 hoofdstukken waarin yin en yang telkens op een andere manier met elkaar worden gecombineerd tot een hexagram, waardoor uiteindelijk elke (veranderlijke) levenssituatie zou worden verklaard. Plooierijen van geschik telt eveneens 64 hoofdstukken, en incarneert de voortdurende verandering die de I Tjing vooropstelt door telkens een andere verteller aan het woord te laten.

Door het constant veranderende vertelstandpunt leest de roman net als het klassieke Chinese boek als een lange, bedwelmende orakelspreuk waar je kop noch staart aan kunt krijgen. Hüsgen gunt je immers nauwelijks houvast over wie er aan het woord is, wie de andere personages zijn waarover ze het hebben of wat de context van hun relaas is. Als lezer heb je dus voortdurend de neiging om met een vergrootglas op zoek te gaan naar aanwijzingen die de plot iets begrijpelijker kunnen maken, maar na een bladzijde of honderd heb je wel begrepen dat die zoektocht verloren energie is: zelfs Sherlock Holmes zou deze zaak snel voor bekeken houden.

Talige druppelingen

Wie op zoek is naar een lekker wijdlopig verhaal met spannende intriges of diepe psychologische karakteranalyses, laat dit boek dus beter ongemoeid. Wie echter houdt van — het woord moet wel eens vallen, al lijkt het ondertussen tot een scheldwoord te zijn verworden — postmoderne literatuur waarin de tekst enerzijds desoriënterend werkt en anderzijds de lezer uitnodigt om zelf richting te geven aan de interne onlogica, heeft hier een druipend vette kluif aan. Plooierijen van geschik is een roman, of althans een tekst, waarin de nadruk wordt gelegd op zijn intrinsieke metatalige aspect: als overweldigende stroom van versplinterde taalelementen is dit boek een ingewikkeld epistologisch en ontologisch vraagstuk over het wezen van de taal als communicatiemiddel en als noodzakelijk basisingrediënt van de literatuur. In die zin, maar ook door het uitdagende spel met diffuse vertellers, vervagende settings, vervormde vertelstructuren en de vertekening van historische elementen is Plooierijen van geschik een opeenstapeling van postmoderne clichés, die bedoeld lijkt om als schoolvoorbeeld van dat soort literatuur te dienen.

In essentie is deze roman dus een enorme zompige klomp taal die Hüsgen over zijn lezers uitsmeert. Niet zelden reflecteren die barokke taalslierten even ook over de taal zelf, om meteen daarna de remmen weer compleet los te laten en holderdebolder door de vangrail van het bevattelijke heen te scheuren. Dat levert enigmatische passages op die er ongeveer zo uitzien: "Woorden van toen ontdek ik niet tussen hoge van immer. Hoor ze als glas, maken me doorzichtig tot op laatste vlek, mijn hart, verkrampt in spijt. Schuldigheid overweldigt niet, ben de geharnaste, Rosentopf. Topf. Ge spraakt me ervan, werd me gezegd, druppelingen. Kom ik. In woorden van. Waarheid. Was wolk die over de horizon boog, zwart van boven, lumineus van onderen. Blauw. Zagen ter linkerzij eiken ruisend wuiven, zagen over de groenigheid des velds schaduw buigen, ter rechterzij gloeide koolzaadkleur".

Zo gaat dat dan maar door en door. In het beste geval wekt die associatieve talige stortvloed bij de lezer een soort trance op die de grenzen van de ‘normale’ literaire ervaring overstijgt, maar eerlijk gezegd treedt tijdens het overgrote deel van de lectuur iets helemaal anders op: verveling en zelf irritatie. Aan die dubbelzinnige gevoelens zal zelfs de meest fervente freak van postmoderne literatuur tijdens het lezen van dit boek onmogelijk ontsnappen: enerzijds lokt Hüsgen door zijn hoogst unieke schrijftrant en zijn volgehouden literaire koppigheid een beate bewondering op, anderzijds zijn de momenten dat je op deze literaire krachtpatsing afknapt veel te talrijk.

Lastig gekwebbel

Plooierijen van geschik zal daardoor als een 'splendid failure' in veel boekenkasten verdwijnen: fel bewonderd, zelden gelezen. De auteur is zich daar blijkbaar van bewust, en in hoofdstuk 57 (alleen de diehards zitten dan nog in Hüsgens trip) spreekt hij zichzelf over zijn eigen roman aan: "Want hoe nu: u schrijft een boek waarin de lezer van het ene op het andere moment binnentuimelt in emotionele en vaak ook belachelijk mysterieuze vraagstukken die zich afspelen in notoir opgesplitste landen als Ierland, Duitsland en Korea. (...) Hoe moet een hond daar speurneus in spelen? Misschien bent u toch de waanwijze neef, psychiatrisch noodgeval. U ziet er aardig en vertrouwenwekkend uit, u gedraagt zich navenant, maar toch schijnt u niet het vermogen te bezitten dat u raad weet met het eigen gekwebbel, daar hebt u last van". Even later vat Hüsgen het probleem nog eens netjes samen: "Alle personages in dit triviale boekwerk weten zich maar door een ding bij elkaar gehouden: het orgel van het Boek der Veranderingen. Maar voldoet zo’n kunstje?" Het is een moeilijke vraag met een onmogelijk antwoord.

Plooierijen van geschik was al een cultboek voor het was verschenen, en nu het eindelijk gepubliceerd is zal het die status niet gauw verliezen. Al telt het boek nogal wat zwaktes en al moet je als lezer heel veel haar op je tanden hebben om je er doorheen te worstelen, het verdient waardering en applaus dat Querido op zijn aanvankelijke oordeel is teruggekomen. Van dit soort waardevolle experiment kan de Nederlandse literatuur er nooit genoeg hebben.



© 2007 Bert Van Raemdonck & CTB

Deze tekst verscheen in: De Leeswolf, jrg. 13, nr. 9 (december 2007), p. 659–660.


XHTML auteur: Bert Van Raemdonck
Last revision: 25/09/2007


Valid XHTML 1.0!