Bart Vervaeck, Literaire hellevaarten
Van klassiek naar postmodern. Vantilt, Nijmegen, 2006, 568 p., ISBN 90 77503 54 5
Bert Van Raemdonck
bert.vanraemdonck@kantl.be
‘Een intrigerende reiswijzer voor lezers die beproevingen durven aan te gaan, verder reikend dan het limbo van dagelijks nieuws en snel oordeel’, zo prijst uitgeverij Vantilt Literaire hellevaarten op de achterflap van het boek aan. Het klinkt best trots, maar ook een beetje verontschuldigend, alsof de uitgever deze turf van Bart Vervaeck over het literaire thema van de hellevaart op een of andere manier meent te moeten legitimeren. Dat laatste is nochtans volstrekt onnodig. Integendeel, van dit soort boeken kunnen er onmogelijk te veel geschreven worden.
Bart Vervaeck staat als hoogleraar aan de VUB en criticus voornamelijk bekend om zijn interesse voor en eruditie met betrekking tot de postmoderne (Nederlandstalige) literatuur. In dit boek neemt Vervaeck echter wat meer hooi op zijn vork. In plaats van het thema van de hellevaart in één bepaalde literaire stroming of periode te onderzoeken, richtte hij zich op bijna drieduizend jaar westerse literatuurgeschiedenis, beginnend bij de Odyssee van Homeros en de Ilias van Vergilius, en eindigend bij recente werken als Kathy Ackers Pussy, King of the Pirates (1996) of dichter bij huis Tongkat van Peter Verhelst (1999). De ondertitel van het boek luidt dan ook terecht Van klassiek naar postmodern.
Niettemin blijkt Vervaecks liefde voor (post-)moderne literatuur toch duidelijk uit de structuur en de opzet van dit boek. Terwijl hij in de uitgebreide inleiding en het theoretische eerste deel vlotjes van Dante naar Rimbaud en van Sint-Brandaan naar Giorgio Manganelli laveert, past hij de theorie in het tweede deel op uitsluitend Nederlandstalige werken van na de Tweede Wereldoorlog toe, met name op een zestal romans van Simon Vestdijk, Jeroen Brouwers, A.F.Th. van der Heijden, Willem Brakman, Peter Verhelst en Atte Jongstra. Toch weet Vervaeck door zijn bijzonder doorwrochte – maar nergens overbodig ingewikkelde – betoog een panoramisch beeld te schetsen van de manier waarop een quasi ontelbaar aantal westerse auteurs een reis naar en door de hel hebben beschreven.
De werken die Vervaeck behandelt hebben met elkaar gemeen dat de hel erin wordt voorgesteld als een (al dan niet ondergrondse) plek van straf en/of pijn en dat de personages die haar bezoeken er eigenlijk niet thuishoren: er moet sprake zijn van ‘een reis of op zijn minst een beweging’. Vervaeck bespreekt bovendien uitsluitend narratieve teksten die allemaal deel uitmaken van wat hij de canon meent te mogen noemen. Of een door Vervaeck uitvoerig behandelde roman als The Living End van Stanley Elkin – volgens Vervaeck in 1977 verschenen maar volgens vrijwel alle bronnen pas in 1979 gepubliceerd – wel tot die canon behoort, valt misschien te betwijfelen, maar de kwestie is in dit verband te irrelevant om er dieper op in te gaan.
Vervaeck ontwikkelt in dit boek een schema waarmee hij literaire hellevaarten uit klassieke, moderne en postmoderne werken met elkaar kan vergelijken. Dat levert een aantal bijzonder interessante inzichten op, niet alleen over de verschillen en de gelijkenissen wat betreft de manier waarop het inferno in die werken wordt beschreven, maar bijvoorbeeld ook over de gids die de personages daar naartoe leidt, de bewoners van de hel en de verschillende functies van de hellevaart als thema in de literaire traditie. Vervaeck gaat daarvoor te werk op een manier die vanwege zijn grondigheid en schematische transparantie bijna ouderwets te noemen is. Maar die werkwijze is voor alle duidelijkheid precies de sterkte van dit boek. Vervaeck is de ideale gids doorheen de donkerste spelonken van de westerse literatuur, en Literaire hellevaarten is dan ook een boek waar Vantilt zich geen seconde hoeft voor te schamen.
© 2006 Bert Van Raemdonck & CTB
Deze tekst verscheen in De Leeswolf, jrg. 12, nr. 7 (dec. 2006), p. 745.
|