"Olga van Marion", Heldinnenbrieven. Ovidius' Heroides in Nederland
"Olga van Marion", Heldinnenbrieven. Ovidius' Heroides in Nederland. Nijmegen, Uitgeverij Vantilt, 2005. 409 p., ISBN 90-77503-41-2
Ruud Ryckaert
ruud.ryckaert@kantl.be
Heldinnenbrieven zijn in het Nederlands taalgebied een klein en vrij onbekend literair genre. Op het eerste gezicht gaat het om hartstochtelijke brieven in versvorm van beroemde heldinnen aan hun geliefden, zoals Hero aan Leander, de heilige Caecilia aan haar Romeinse echtgenoot Valerianus of de zeventiende-eeuwse Hollandse prinses Amalia van Solms aan haar echtgenoot Frederik Hendrik. Deze schijnbare privé-correspondenties zijn echter pure literaire travestie. Achter de vrouwelijke personages gaan veelal mannelijke auteurs schuil. Zij doen mee aan een literair spel door te variëren op Ovidius, die met zijn Heroides de eerste heldinnenbrieven schreef, &eactue;n op elkaar.
In de Nederlanden hebben meer dan honderdveertig dichters zich gewaagd aan het schrijven van meer dan zeshonderd heldinnenbrieven: van Dirc Potter in de vijftiende tot Willem Bilderdijk in de negentiende eeuw, van rederijkers als de Antwerpenaar Cornelis van Ghistele tot gelauwerde dichters als Joost van den Vondel. Van autodidacten tot hoogleraren, zowel in het Neolatijn als in het Nederlands, verstopt in een verzameld werk of openbaar in een bundel.
Historisch letterkundige "Olga van Marion" zocht op systematische wijze honderden heldinnenbrieven bijeen die tussen de vijftiende en de negentiende eeuw in Nederland en Vlaanderen zijn geschreven. Zij bestudeerde en vergeleek de adaptaties van Ovidius' heldinnenbrieven, eventuele antwoordbrieven alsook een aantal nieuwe brieven met nieuwe auteurs. Heldinnenbrieven vormt het verslag van dit onderzoek, waarop "Van Marion" op 6 oktober 2005 in Leiden promoveerde.
Het boek valt op door zijn heldere structuur, rustige bladspiegel – alle noten staan achteraan – en een uitstekende citaatkeuze. De onderzoekster schetst eerst het genre, de Europese context van de heldinnenbrief en de onderzoeksmethode, waarna ze nader ingaat op de klassieke oorsprong. In de volgende zeven hoofdstukken krijgen uiteraard niet alle heldinnenbrieven evenveel aandacht. "Van Marion" spitst zich toe op de auteurs die binnen het corpus een voortrekkersrol hebben gespeeld en heeft aandacht voor de reacties van de hen omringende dichters. De hoofdstukken in dit boek zijn als zodanig rond literaire clusters geconcentreerd.
Tot nu toe ontbrak voor het Nederlandse taalgebied een degelijk overzicht van het heldinnenbriefgenre, evenals een grondige inventarisatie van het materiaal. Van Marions onderzoek komt aan deze lacune ruimschoots tegemoet. Let wel: Heldinnenbrieven is een genrestudie, geen teksteditie. "Van Marion" citeert wel rijkelijk uit de overgeleverde teksten, maar geen enkele van de besproken heldinnenbrieven is integraal in het boek opgenomen. Dit wordt opgevangen door de Brievenlijst aan het eind van het boek met alle gevonden titels, auteurs en bronvermeldingen. Deze brievenlijst is ook op het internet te raadplegen (http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/heroides.html) en op deze website zijn de teksten van vele heldinnenbrieven te vinden.
De winst van "Van Marions" onderzoek zit hem zowel in de prille begintijd van de heldinnenbrief in de Nederlanden (de eerste brief blijkt al in 1412 geschreven te zijn door Dirc Potter) als in de talrijke nieuw ontdekte bijdragen uit rederijkersmilieus en het genootschapsleven in de tweede helft van de achttiende eeuw. Heldinnenbrieven maakt duidelijk dat de Nederlanders ten opzichte van de omringende landen buitengewoon actieve beoefenaars waren van de heldinnenbrief. In dit genre hebben ze eeuwenlang hun literaire aspiraties, hun opvattingen over liefde, trouw, vrouwelijkheid en mannelijkheid, hun geloof en hun vaderlandsliefde uitgedragen
Laat ik tot slot het woord geven aan Ovidius, vader van de heldinnenbrief, die in Heroïdes 21, 245-248 de volgende verzuchting in de mond van de verliefde Cydippe legde: 'Al veel te lang vermoei ik mijn krachteloze vingers met schrijven, / en mijn verzwakte hand weigert verdere dienst. / Wat valt er, nu ik hoop mij weldra aan uw zijde te zien, / Aan deze brief nog toe te voegen, behalve een 'tot ziens'. Moge ook "Van Marions" onderzoek een 'tot weerziens' zijn en het startsein betekenen voor hernieuwd onderzoek naar de heldinnenbrief in de Nederlanden.
Kwalitatieve beoordeling: ****
Moeilijkheidsgraad: II
© 2006 Ruud Ryckaert & CTB
Deze tekst verscheen als Ruud Ryckaert. "Olga van Marion", Heldinnenbrieven. Ovidius' Heroides in Nederland.' In: De Leeswolf, jrg. 12, nr. 2 (maart 2006), p. 152.
|