logo CTB Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (KANTL)
Koningstraat 18
b-9000 Gent
Belgium
email: ctb@kantl.be
tel: +32 (0)9 265 93 50
fax: +32 (0)9 265 93 49

De medewerkers van het CTB rapporteren over de vooruitgang van hun wetenschappelijke projecten in nationale en internationale tijdschriften en zijn frequente sprekers op (inter)nationale colloquia.

[Volledige publicatielijst CTB] [On-line publicaties] [Tekstedities en Uitgaven]

Karel van de Woestijne en de WelEd. Heer zijn Zoon.

Bert Van Raemdonck

bert.vanraemdonck@kantl.be

Toen Karel van de Woestijne en Maria (Mariette) van Hende op 13 februari 1904 trouwden, hadden ze al een lang en moeizaam gezamenlijk parcours achter de rug. Niet alleen hadden de ouders van de bruid het hun moeilijk gemaakt, Van de Woestijne zelf was blijven twijfelen tot het laatste moment.

Van de Woestijne en Van Hende hadden elkaar leren kennen tijdens de regelmatige bezoekjes van hun beider families aan de voorstellingen van het Gentse stadstheater. De jonge dichter was al eens eerder ten prooi gevallen aan kalverliefde. Het had hem telkens overrompeld en verward. In 1902 probeerde hij toch zijn moed samen te rapen om Mariette voor zich te winnen. Tientallen keren drentelde hij zenuwachtig voorbij haar ouderlijke huis, en toen het echt gênant begon te worden, riep moeder Van Hende hem binnen. Kort nadien was de verloving een feit, maar daarmee was de kous nog niet af. De ouders van Mariette hadden met de keuze van hun dochter ingestemd, maar wel enigszins tegen hun wil. In de slungelachtige bohëmien, die zonder 'echt' beroep zat, zagen ze geen al te fortuinlijke partij. Er zat voor Van de Woestijne dus maar ëën ding op: werk zoeken. Hij zocht tevergeefs, tot hem op dramatische wijze een baan in de schoot werd geworpen. Zijn moeder, die sinds 1890 weduwe was, stierf op 11 december 1903, waardoor haar bedrijf in de Gentse Slijpstraat, de 'Firme Vve Al. Van de Woestyne-Sielbo, Chaudronnerie Industrielle de Cuivre', onbeheerd achterbleef. Om de koperslagerij niet verloren te laten gaan, namen haar vier zonen het beheer over.

Met gemengde gevoelens kondigde Van de Woestijne aan Lode Ontrop twee weken later zijn huwelijk aan: 'Maar zie, het moet er uit, Louis: ik denk aan dat huwelijk alleen met angst. De zëkerheid van een onbetwistbaar geluk, dat me onbetwijfelbaar wacht na zooveel en zooveel schrijnende smarten en kankerende vervelingen, — die zekerheid vervult me met vrees... Het is gek, ik weet het.' Hij onthulde ook waarom hij de datum van zijn huwelijk met vrees zag naderen: 'ik ben bang voor dat nieuw leven, alleen met eene vrouw waarvan de liefde mij haast angstig maakt, en dan — waarom het je verbergen? — het sexuëele ervan, waar ik gansch buiten bleef tot op heden...' Van de Woestijne slaagde erin om zich vlak voor het grote moment te vermannen en vertrok met zijn jonge bruid op 'speelreis' naar Parijs. Twee maanden later had hij groot nieuws voor Emmanuel de Bom: Mariette was zwanger.

In zijn antwoord, dat aanvangt met een redelijk povere imitatie op de streektaal van Van de Woestijne, kan De Bom zijn verbazing nauwelijks verbergen: 'Koirele, ho'k et ooit van ou moete peizen! En hoe gaat het met ou vrêw...goed, zou 'k denke? Wacht tot wij beginnen!!' Markant in de correspondentie van Van de Woestijne uit de maanden nadien, is dat er geen haar op zijn hoofd aan twijfelde dat zijn vrouw een zoon zou baren. Op de uitnodiging van De Bom om hem in 1905 te vergezellen naar Scandinavië, gaat hij niet in omdat zijn zoon niet tegen de koude zal kunnen en wanneer de spanning om de nakende bevalling in december toeneemt, vraagt hij aan 'den WelEd. Heer mijn Zoon' om zich een beetje te haasten.

Maar haast had zijn zoon niet, integendeel. Het kind werd verwacht tegen half december 1904, maar weigerde vooralsnog te worden geboren. Dat lokte bij zijn vader tegenstrijdige emoties op, die hem helemaal typeren. Zijn zoon liet 'zijne moeder in 't ongemak en zijn vader in achter-denken. 't Is 'ne geniepige deugeniet... en die nochthans zoo welkom ware!', schreef hij omstreeks 19 december aan De Bom, maar in dezelfde brief staat ook: 'En ík weet niet wat ik wensch: dat het kome of drale'. Iets verderop geeft hij zelfs toe dat hij de laatste vijf nachten nauwelijks had geslapen.

Op 28 december was een allicht oververmoeide Van de Woestijne de wanhoop nabij. Alle ultimata waren intussen afgelopen: de voorspelling van de baker (18 december), hun eigen prognose (23 december) en die van De Bom, 'een wijs man ende profeet uit de stede van Antwerpen', die dacht dat ze een kerstkindje zouden krijgen. Van de Woestijne maakte een schets van die 'parabel van't Ongeboren kerstkindeke', waarop we hemzelf en Mariette 'drupneuzend door het wanhopig land van hunne desolatie' zien gaan, 'zich afvragend wat dien kleine belet van voor de pinnen te komen'. Om orde op zaken te stellen suggereerde Van de Woestijne drie mogelijke oplossingen. Optie 1: 'kerstdag wordt eenige dagen uitgesteld, om den man van Antwerpen gelijk te geven'. Optie 2: 'aan het kind worde opgelegd niet langer te doen als de bundels en boeken van zijn vader, die ook altijd veel later verschijnen dan eerst was beloofd'. Optie 3: 'het kind worde door de kritiek doodgezwegen: dan zal het zich zëker haasten, zooveel gerucht mogelijk te maken'.

Met nieuwjaar 1905 kreeg het jammerende paar een zoete koek cadeau van Emmanuel en Nora de Bom, en het leed werd eventjes vergeten. Van de Woestijne zag er intussen wel de humor van in. 'En de kleine komt nog altijd niet... 't Is een lanterfant. en ongehoorzaam, Madam! Zijne papa heeft mooi zijne oogen open te trekken, 't kan hem niet schelen, en met Duimken zegt hij: 't Is hier zoo warm/in mijn moeders darm (ge kunt niet eischen dat diene kleine de anatomie der baarmoeder zou kennen!)'

Op 4 januari wordt Paul van de Woestijne geboren. Toch is de vreugde van zeer korte duur. Op het gedrukte geboortekaartje dat De Bom ontving, had de kersverse vader met de hand een korte boodschap genoteerd: 'Mariette zeer ziek. Brief volgt.' Meer dan een week later volgde die brief inderdaad. Paul was 'prachtig van gezondheid', maar met zijn moeder ging het flink mis. 'Mariette is doodelijk ziek: ontsteking der eierstokken (ovaires) die onvermijdelijk buikvliesontsteking ten gevolge hebben moet — en dan is't gedaan. — Wij hebben, de dokters en ik, al heel weinig hoop.' Hoop kwam er nochtans spoedig, toen Mariette al snel buiten levensgevaar bleek. Van de Woestijne zat toch nog met de handen in het haar, omdat nu ook de baker en de meid ziek waren geworden, waardoor hij moest zorgen voor drie zieke dames en een pasgeboren baby.

'Thans is alles over, als een wolk', schreef hij aan De Bom op 20 januari. 'Maar 't is hard geweest, hard zelfs voor wie, als ik, in zake lijden een waaghals ben, en die voor geen klein ding terug-deinst: ik heb het mogen toonen in omstandigheden genoeg...' De opluchting bleek enigszins voorbarig, want de toestand van zijn vrouw ging er maar langzaam op vooruit. De moeizame bevalling had voor de Van de Woestijnes ook positieve gevolgen. Om te kunnen bekomen van het voorbije onheil, keerden ze terug naar Sint-Martens-Latem, dat ze begin 1904 hadden verlaten voor Sint-Amandsberg. Van de Woestijne woonde later nog op een twintigtal andere adressen, maar zijn mooiste momenten beleefde hij in het kunstenaarsdorp aan de Leie. Na zijn definitieve vertrek uit Latem in november 1906 zou hij er met grote melancholie aan blijven terugdenken. Bijna vijftien jaar na zijn geboorte kreeg Paul er in 1919 onverwachts nog een zusje bij.



© Bert Van Raemdock & CTB
Deze tekst verscheen als Bert Van Raemdonck, 'Karel van de Woestijne en de Weled. Heer zijn zoon.' in: Zuurvrij. Berichten uit het AMVC-Letterenhuis, (juni 2003), p. 21-25.


XHTML auteur: Edward Vanhoutte
Last revision: 21/06/2004


Valid XHTML 1.0!