Anton Van Wilderode. De moerbeitoppen ruischten. Facsimile varianteneditie
Uitvoerder: Edward Vanhoutte
Onder de kenspreuk De moerbeitoppen ruischten - ontleend aan een vers van Nicolaas Beets - dong Anton Van Wilderode met de bundel Liederen voor December mee naar de August Beernaertprijs 1940-1941 van de Koninklijke Vlaamsche Academie. Uit de negenendertig ingezonden boeken en handschriften werd een shortlist van zes werken geselecteerd waaronder ook Liederen voor December. De jury besloot echter Luc Indestege’s Orpheus en Euridyke te bekronen, maar apprecieerde ‘een persoonlijker accent [dat] trilt in de Liederen voor December’:
Een zacht muzikale toon en een diep-doordringende elegische weemoedigheid zijn de kenmerken dezer door waarheid en eenvoud treffende gedichten, die enkel nog gestoord worden door hier en daar een zekere onvoldragenheid van vorm en taal. (Verslagen en Mededeelingen, 1942, p. 309)
Dit unieke exemplaar van de bundel in typoscript (‘handschrift’staat er op het kaft te lezen) en geïllustreerd door de broer van de auteur bevat de afdelingen In Memoriam Patris, De zekere herfst en Ballade der oude maanden die allen in een gewijzigde vorm opgenomen werden in Van Wilderodes debuutbundel die in 1943 werd gepubliceerd met de oorspronkelijke kenspreuk als titel. Voor dit debuut kreeg Van Wilderode de letterkundige prijs van Oost-Vlaanderen.
Van deze bundel verscheen in 1944 een tweede vermeerderde druk waarbij vier gedichten werden toegevoegd. Behalve interpunctievarianten en wijzigingen m.b.t. de accenttekens treden er heel wat woordvarianten op en werden er enkele gevoelige tekstwijzigingen doorgevoerd.
De auteur nam negen gedichten uit Moerbeitoppen op in Bloemlezing. Gedichten (1958) waarbij de spelling werd aangepast. De spelling van de andere gedichten werd aangepast bij de opname van de bundel in Verzamelde gedichten 1943-1973 (1974). Door het wegvallen van de buigingsvormen in beide verzamelbundels werd het metrum echter verstoord waarop de auteur zijn toevlucht moest nemen tot het introduceren van enkele woordvarianten. De versie van Moerbeitoppen uit de Verzamelde gedichten werd ongewijzigd overgenomen in de Verzamelde gedichten van 1976 en 1980. In de Verzamelde Gedichten van 1987 werd de bundel gereduceerd tot elf gedichten met varianten. Die werden ongewijzigd overgenomen in de Verzamelde gedichten van 1990.
In het Volledig Dichtwerk van Anton Van Wilderode uit 1999 presenteert tekstbezorger Patrick Lateur een leeseditie van De moerbeitoppen ruischten. Dat wil zeggen dat naar omvang de tweede vermeerderde druk werd gerepresenteerd, naar versie werd geopteerd voor de laatste door de auteur geautoriseerde en gecorrigeerde druk, en de in 1995 herziene spelling werd toegepast op alle teksten. Concreet betekent dat dat voor elf gedichten in de leeseditie de variant wordt weergegeven van de Verzamelde gedichten uit 1990 en voor de rest de variant wordt gegeven van de Verzamelde gedichten uit 1980. Omwille van de spellingsaanpassing door Van Wilderode in 1958 en 1974 (met daaruit volgende woordvarianten) en de spellingsaanpassingen en editieprincipes van de editeur van het Volledig Dichtwerk uit 1999 creëert de versie van Moerbeitoppen in dat Volledig Dichtwerk een paradox in: Alhoewel de leeseditie van het Volledig Dichtwerk het werk toegankelijk maakt voor een groot publiek, vervreemdt het dat publiek met de historische vorm van de tekst.
De facsimile varianteneditie van Van Wilderodes De moerbeitoppen ruischten zal de historische staat van de eerste druk aanbieden samen met een overzichtelijke variantenstudie van het handschrift dat werd ingezonden voor de Beernaertprijs en alle geautoriseerde drukken van de bundel. Verder wordt het unieke typoscript uit het archief van de Koninklijke Academie als facsimile uitgegeven, en volgt er een genetische studie van het schrijfproces op basis van het rijke materiaal uit het familie-archief van de schrijver. De editie wordt gecontextualiseerd door drie essays van eminente wetenschappers die elk een bepaald facet van Van Wilderodes debuutbundel bespreken:
- Hugo Brems, Het geruis van de moerbeitoppen: In deze bijdrage herleest Hugo Brems Van Wilderodes debuut en probeert, op grond van de gedichten zelf, na te gaan in welke mate het gevestigde beeld van de jonge Van Wilderode zou kunnen worden bijgesteld en hoe die poëzie een specifiek geluid laat horen binnen het koor van zijn generatiegenoten.
- Maarten De Pourcq, Anton Van Wilderode en de confrontatie met Hellas: De bijdrage focust op de receptie van de oudheid in het (vroege) werk van Van Wilderode. Deze receptie wordt aangegrepen om in te gaan op het probleem van continuïteit en contingentie in het traditionalisme van Van Wilderode, met focus op de bundels De moerbeitoppen ruischten, Najaar van Hellas en Een tent van tamarinde.
- Carl de Strycker, ‘Niet briesend, zonder schuim’. Anton van Wilderode als arrière-gardist. Een verkenning van zijn expliciete poëtica (1943-1989): In deze bijdrage contrasteert de auteur Van Wilderodes langzame poëticale evolutie met de ontwikkelingen die de opeenvolgende na-oorlogse avant-garde-bewegingen teweeg gebracht hebben om daaruit, met behulp van de theorie rond arrière-garde (William Marx, 2004) te concluderen dat Van Wilderodes poëtica zich langzaam beweegt in de richting die bepaalde avant-gardes wezen.
1. Teksten
1.1 De moerbeitoppen ruischten
1.2. Liederen voor December: Facsimile editie
2. Verantwoording
2.1 Inleiding
2.1.1 Aard en doel van de editie
2.1.2 Indeling van de editie
2.2 Teksten
2.2.1 De moerbeitoppen ruischten
2.2.2 Liederen voor December: Facsimile editie
2.3 Commentaar
2.3.1 De bronnen in de drukgeschiedenis
2.3.2 De distributie van teksten in de drukgeschiedenis
2.3.3 De varianten in de drukgeschiedenis
2.3.4 De receptiegeschiedenis
2.4 Essays
3. Commentaar
3.1 De bronnen in de drukgeschiedenis
3.2 De distributie van teksten in de drukgeschiedenis
3.3 De varianten in de drukgeschiedenis
3.4 De receptiegeschiedenis
4. Essays
4.1 Het geruis van de moerbeitoppen door Hugo Brems
4.2 Anton Van Wilderode en de confrontatie met Hellas door Maarten De Pourcq
4.3 ‘Niet briesend, zonder schuim’. Anton van Wilderode als arrière-gardist. Een verkenning van zijn expliciete poëtica (1943-1989) door Carl De Strycker
Dank
|