Juryverslag CTB Prijs voor Teksteditie 2007
Met de invoering van het Bachelor en Master systeem in het Belgisch universitaire onderwijs is er een duidelijke terugval te merken wat betreft de inzendingen voor de CTB Prijs voor teksteditie. Voor de periode 2005-2007 waren er slechts twee inzendingen die in aanmerking kwamen, en wel van dezelfde persoon. Navraag bij collega’s docenten aan de Vlaamse universiteiten leert dat er in die periode inderdaad quasi geen eindverhandelingen zijn geschreven die een teksteditie als voorwerp hebben of een editiewetenschappelijk onderwerp hebben en die betrekking hebben op de Nederlandstalige literatuur.
Deze vijfde uitreiking van de CTB Prijs voor Teksteditie is meteen ook de laatste onder die naam. De terugval van de inzendingen heeft het CTB ertoe aangezet te reflecteren op de doelstellingen en het effect van de prijs en bij deze uitreiking zijn we verheugd te mogen aankondigen dat de CTB Prijs voor Teksteditie wordt vervangen door een gezamenlijke prijs voor teksteditie van het CTB en het Nederlandse Huygens Instituut. We hopen op deze manier op een groter bereik en prestige van de prijs.
Voor de CTB Prijs voor Teksteditie voor de periode 2005-2007 werden twee inzendingen in aanmerking genomen. Beide studies zijn van de hand van Charlotte Cailliau, die in 2006 afstudeerde aan de Universiteit Gent op een historisch-kritische editie van Hugo Claus’ Tancredo infrasonic, en in 2007 een master behaalde aan de Universiteit van Amsterdam met een aanzet tot een historisch-kritische deeleditie van Willem Kloos' Verzen (1894).
De studie Engagement in diminuendo. Historisch-kritische uitgave van Hugo Claus’ tancredo infrasonic (3 dln.) [Licentiaatsverhandeling Universiteit Gent, 2006] bestaat uit drie delen: deel 1 bevat de leestekst van Claus’ bundel tancredo infrasonic (plus een aantal bijlagen), deel 2 is getiteld ‘Commentaar’ en deel 3 bevat het variantenapparaat. Zoals uit de typering (‘historisch-kritisch’) en de opzet (teksten, varianten en commentaar) van de uitgave blijkt, sluit de editeur nauw aan bij de gangbare praktijk in de Nederlandstalige editiewetenschap. Zij hanteert de terminologie zoals die is vastgelegd in het Handboek Editiewetenschap van Marita Mathijsen en heeft voor het variantenapparaat de opzet van de poëziedelen uit de reeks Monumenta Literaria Neerlandica overgenomen.
Toch is dit een theoretisch hybride editie die niet beantwoordt aan de normen die de editeur voor zichzelf uitzet, met name de normen van de historisch-kritische editie, waarin de tekstinterpretatie moet worden vermeden. De functie en de inhoud van het deel getiteld Aanzet tot tekstgenetisch interpretatief commentaar in het Commentaardeel van de editie is dus voor discussie vatbaar. Op zich verdient de keuze van de editeur voor experimentele poëzie als object van een historisch-kritische uitgave veel waardering. Maar de interpretatie die wordt aangevoerd kan niet altijd even grondig geargumenteerd worden genoemd en heeft een eerder subjectief en tentatief karakter. De interpretatie van het ‘geworpen zijn’ (p. 46) in het leven door dit terug te brengen tot de erfzonde en de christelijke opvoeding van de auteur is aanvaardbaar maar mist het evidente verband met het existentialisme. Toch toont de editeur dat zij goed op de hoogte is van de Clausstudie en dat zij beschikt over de noodzakelijke affiniteit met diens poëzie om daar enigszins zinvolle uitspraken over te kunnen doen.
De verdienste van dit werk ligt geheel in de kwaliteit van het technische werk van de tekstediteur.
De masterscriptie van dezelfde auteur, ‘Mijn grootste glorie zal dees bladzij zijn’. Aanzet tot een historisch-kritische deeleditie van Willem Kloos' Verzen (1894) (2 dln.) [Universiteit van Amsterdam, 2007] laat zien dat zij een hele weg heeft afgelegd en dat haar inzicht in de theorie en de praktijk van het editeren aanzienlijk is toegenomen. Deze studie bestaat uit twee delen: deel 1 Commentaar & Varianten en deel 2 Teksten.
Het uitvoerige commentaargedeelte biedt een zeer heldere uiteenzetting over de publicatiegeschiedenis en de receptie van de bundel in de literaire kritiek en de literatuurgeschiedenis. Belangrijk verschil met de scriptie over Claus is dat de editeur ditmaal aansluiting heeft gezocht bij de institutionele benadering van literatuur (Van Rees & Dorleijn, 1993). Zij besteedt veel aandacht aan één bepaald onderdeel van het ‘literaire veld’, te weten de beeldvorming over Kloos en diens bundel Verzen (1894) in de literatuurbeschouwing (journalistiek en academisch). Daartoe analyseert zij een aantal documentaire bronnen vanuit een neutraal metastandpunt. In lijn met deze methodologische verschuiving heeft zij de volgorde binnen het commentaardeel aangepast. Eerst komt, aldus de editeur, de ‘ontstaansgeschiedenis’ aan de orde, daarna de receptiegeschiedenis en ten slotte de tekst- of publicatiegeschiedenis. Op die manier wordt helderheid gebracht in wat de editeur zelf "de huidige chaos van Kloospublicaties" noemt (p. 109). De studie als zodanig biedt een waardevolle status quaestionis die inderdaad voor het eerst laat zien hoe problematisch het onderzoek tot dusver is verlopen en geeft tot slot ook inzichtelijke richtlijnen voor de aanvulling van het onderzoek.
De jury vraagt zich wel af of de door de editeur aangegeven methodologische switch in de uitvoering zoveel nieuws brengt. Ook veel traditionele wetenschappelijke edities bevatten immers een zo objectief mogelijke weergave van de literair-journalistieke en academische receptie. Overigens slaagt de editeur er goed in om deze weerbarstige materie helder weer te geven.
In het laatste hoofdstuk van deel 1 (‘Editiewetenschap als fier fundament’) gaat de editeur in op de stand van zaken binnen de Nederlandse (Nederlandstalige?) editiewereld en formuleert zij enkele desiderata voor de toekomst. Helaas heeft ze zich onvoldoende kunnen informeren over het editietheoretische werk dat het CTB sinds 2000 heeft gepubliceerd en baseert ze haar desiderata slechts op de publicaties van de Duitse en de Anglo-Amerikaanse scholen.
De studie biedt zich, bescheiden, maar zeer overtuigend aan als een ‘aanzet’: de editeur is zich bewust van de beperkingen van haar onderzoek maar heeft op die korte tijd al ontzettend veel interessant werk verricht. Het is dan ook te hopen dat zij dit werk kan afmaken.
Met haar Claus- en Kloosstudie heeft Charlotte Cailliau bewezen dat zij het vak beheerst. De jury bekroont beide scripties dan ook met de vijfde CTB Prijs voor Teksteditie voor de periode 2005-2007. De laureaat ontvangt een certificaat en een geldprijs van 500 euro.
Het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie, de jury van de CTB-prijs en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde feliciteren Charlotte Cailliau met deze prijs en wensen haar een boeiende carrière als editiewetenschapper toe.
Er is, in haar woorden, veel te doen voor een ‘nieuwe generatie jonge wolven’ (p. 116), hopelijk zal zij in haar komend werk een van de vernieuwers blijken te zijn.
De juryvoorzitter: Anne Marie Musschoot - ondervoorzitter van de KANTL
Leden van de jury: Annemarie Kets-Vree - adjunct-directeur Huygens Instituut, Edward Vanhoutte - coördinator CTB-KANTL.
XHTML auteur: Edward Vanhoutte
Last revision: 09/06/2009